Dutch Prepositions

Level: A2–B2 • Estimated study: 25–45 min •

A clear, example-rich guide to core Dutch prepositions: place vs motion, time uses, common verb/adjective patterns, er-/hier-/daar- forms, and frequent pitfalls—plus practice with answers.

Overview: map of Dutch prepositions

Place
in (in), op (on), aan (on/at—attached/edge), naast, achter, voor (in front of/for), boven, onder, tussen, tegenover.
Motion
naar (to), van (from/of), uit (out of), door (through/by), langs (along), over (over/about), rond/om … heen (around).
Time
om (at clock time), op (on a date/day), in (in month/year/season), tijdens (during), sinds (since), tot (until), vanaf (from), binnen (within).

Place

Preposition
Core meaning & examples
in
inside: Ik ben in de keuken. — I’m in the kitchen.
op
on (top), also institutions: op tafel, op school, op kantoor.
aan
on/at (attached/edge): een schilderij aan de muur; aan zee (by the sea).
bij
at/with (someone/near): Ik ben bij de dokter. — I’m at the doctor’s.
naast, achter, voor
naast (next to), achter (behind), voor (in front of/for).
boven, onder, tussen
above, under, between: boven de bank, onder het bed, tussen de stoelen.
tegenover
opposite: Het station ligt tegenover het park.
De kat ligt op de bank, niet in de doos. — The cat is on the couch, not in the box.

Motion

  • naar = to a destination: Ik ga naar Amsterdam.
  • van / uit = from / out of: Ik kom van werk; Hij loopt uit de winkel.
  • door = through (motion) / by (agent in passive): door het park; geschreven door Anna.
  • langs = along/past; over = over/across: We lopen langs de rivier; We gaan over de brug.
  • om … heen / rond = around: om het plein heen, rond de kerk.
Into vs to: Dutch often says de winkel in (into the shop) without naar: Ze liep de winkel in.

Time

Use
Form & examples
Clock time
om 8 uur — at 8 o’clock
Days & dates
op maandag; op 5 mei
Months/years/seasons
in mei; in 2024; in de zomer
Since / until
sinds 2019; tot morgen
From / starting
vanaf volgende week; van 1 juni tot 10 juni
Within
binnen vijf minuten — within five minutes
During
tijdens de vakantie — during the holiday
“in 5 minutes” (future) is over vijf minuten, not in vijf minuten (that means “within five minutes”).

Verb + preposition patterns

opwachten op (wait for), trots zijn op (be proud of), zin hebben in (feel like) — note: in with zin
aandenken aan (think of), werken aan (work on), wennen aan (get used to)
naarluisteren naar (listen to), kijken naar (look at)
overnadenken over, praten over, boeken over (about)
voorbang zijn voor (be afraid of), kiezen voor (choose), zorgen voor (take care of)
metspreken met, te maken hebben met (have to do with)
Ik wacht op de bus. — I’m waiting for the bus.
We denken aan jou. — We’re thinking of you.
Ze praat over haar werk. — She is talking about her work.
Common mistake: ✗ wachten voor (wait before). Use wachten op.
denken aan (think of) vs denken over (think about, form an opinion): Ik denk aan vakantie vs Wat denk je over dat plan?

Pronominal adverbs: er-/hier-/daar- + preposition & waar- questions

Replace a prepositional object with er + preposition (it), or hier-/daar- + preposition (this/that). For questions, use waar- + preposition.

  • Ik wacht op de bus → Ik wacht erop. — I’m waiting for it.
  • Denk je aan dat probleem? → Denk je daaraan?
  • Waarover praat je? — What are you talking about?
R-insertion: If the preposition starts with a vowel, insert r: eraan, eruit, erover; waarin, waarover; daarop (no r for consonants).
Ze heeft ermee te maken. — It has to do with it.
Waarop wacht je? — What are you waiting for?

Tricky contrasts & common errors

naar vs bij
Ik ga naar de tandarts (to) vs Ik ben bij de tandarts (at [their place]).
op vs aan
op tafel (on top) vs aan de muur (attached). aan zee = by the sea coast.
over (about) vs om (around/at time)
over het boek praten vs om acht uur.
voor
ambiguous: ‘for’ (benefit) voor jou, ‘before’ voor de les, ‘in front of’ voor de deur.
look at vs watch
naar for looking: naar de kunst kijken. But idiomatic: tv kijken (watch TV).
uit vs van
uit = out of/origin (physical/source), van = from/of (possession): koffie uit Colombia; de auto van Jan.

Practice

A) Fill in the correct preposition

  1. Ik wacht ____ de trein. (for)
  2. Hij woont ____ Amsterdam.
  3. We praten ____ het project. (about)
  4. De foto hangt ____ de muur.
  5. Ze loopt ____ de brug. (over/across)
Show answers

op, in, over, aan, over

B) Paraphrase with er + preposition

  1. Ik reken op je hulp. → Ik reken ____.
  2. Hij gelooft in dat idee. → Hij gelooft ____.
  3. Praat je over het weer? → Praat je ____?
Show answers

erop, erin, erover

C) Choose the better option

  1. We gaan (naar / bij) de bioscoop.
  2. Ik ben (naar / bij) de kapper.
  3. Wat denk je (aan / over) dat plan?
  4. Ze is bang (voor / van) honden.
  5. Hij kijkt (naar / ∅) tv.
Show answers

naar, bij, over, voor, ∅ (tv kijken) or naar de tv (look at the television set)

FAQ

Why is it op school, not in?

Institutions often take op idiomatically: op school, op kantoor, op het werk. Use in for the building interior: in de school (inside the school building).

Is it praten over or praten van?

Praten over (talk about) is standard. van doesn’t mean “about.”

Can I drop the preposition like English “listen to music” → “listen music”?

No. Dutch needs the preposition with many verbs: naar muziek luisteren, naar iets kijken, op iemand wachten.

More Dutch lessons